Montaigne was een bewonderaar van Erasmus en putte voor zijn Essays graag uit de Adagia van Erasmus. Hij speelde met spreekwoorden als ‘De mens is voor de mens een god’ (Adagia I 1,69) en ‘De mens is voor de mens een wolf’ (Adagia I 1,70). Montaigne typeert zichzelf overigens als wolf in zijn rol als huwelijkspartner. Om constructief in het huwelijk te zijn moet je, aldus Montaigne, heel wat goede eigenschappen hebben die je eerder bij gewone mensen vindt dan bij „ ontaarde karakters die van luxe en ledigheid houden en elke verplichting haten, zoals ik”. Ook een ander spreekwoord van Erasmus wilde Montaigne graag aanhalen:’Ieder vindt zijn eigen winden lekker ruiken’ (Adagia III 4,2). In aansluiting op dit spreekwoord noemde Montaigne zijn eigen Essays met een grote portie zelfspot: „Uitwerpselen van een oude geest, nu eens te hard, dan weer te flodderig, maar nooit eens goed gebakken.” Een meester van introspectie, dat was Montaigne zeker.