Erasmus was in zijn jonge jaren overtuigd pacifist. Zijn afschuw van pausen en vorsten die oorlog voerden om hun grondgebied en macht uit te breiden was intens. In zijn ogen waren het altijd de eenvoudige mensen die de dupe werden van oorlogen. Op latere leeftijd nuanceerde hij zijn pacifisme. Een oorlog uit noodweer, ter verdediging tegen een agressor, zou te rechtvaardigen zijn. Vijfhonderd jaar geleden noteert Erasmus, toentertijd getuige van vele oorlogen in Europa; ‘ In onze tijd vindt zowat elke oorlog zijn oorsprong bij een of andere aanspraak van een heerszuchtige vorst om een stuk grond onder zijn gezag te brengen. Als een aanspraak voldoende recht geeft om een oorlog te beginnen, kan iedereen wel ergens aanspraak op maken. Welk volk is niet in de loop der tijden van zijn grond verdreven en heeft niet op zijn beurt anderen verjaagd? Hoe vaak is de macht van de ene natie op de andere overgegaan, hetzij door toeval, hetzij door een verdrag? De inwoners van Rome zouden vandaag Spanje mogen terugeisen, want dat was in het verleden een provincie van het Romeinse Rijk. Echter, tegenover mensen die van nature vrij zijn, gelden niet dezelfde rechten als tegenover vee. Het recht dat een vorst heeft, is hem gegeven omdat het volk ermee instemt, maar als ik me niet vergis kan datzelfde volk het ook weer afnemen.’