Op uitnodiging van het Gouds Erasmus Genootschap zou ik op 17 oktober 2020 in de Sint-Jan een lezing houden met als titel: Erasmus, reiziger zonder paspoort. Aanleiding was de uitgave van een boekje met een selectie van mijn Eblogs, geïllustreerd door Jan Zandstra. Vanwege de corona restricties is deze lezing afgelast. Het boekje is te koop bij boekhandel Verkaaik in Gouda of via Bol.com. Titel van het boekje: Zie je bij de ballon.

ERASMUS, REIZIGER ZONDER PASPOORT

Ruben van Veen; Erasmus op de schaats

De pest heeft het leven van Erasmus behoorlijk getekend. Erasmus was zo bang voor de pest dat hij altijd zijn biezen pakte wanneer het gerucht ging dat de pest naderde. Die pestangst verklaart zelfs gedeeltelijk zijn reislust, zijn zwervend bestaan. Erasmus was een reiziger, voortdurend onderweg. Om de grens over te steken had hij geen ID nodig. En ook in zijn denken was hij grensoverschrijdend. Vandaar de titel van mijn lezing: Reiziger zonder paspoort.

Was Erasmus een Rotterdammer, een homoseksueel, een Hollander, een populist of een kosmopoliet? Waaraan ontleende Erasmus zijn identiteit? Die laatste vraag staat centraal in deze tekst. De tekst is ingedeeld in zes hoofdstukken, steeds verlucht met een schilderij van Ruben van Veen.

I              Ik ben geen Erasmist
II             Ik ben thuis waar mijn vrienden zijn
III           Erasmus en Holland
IV           Erasmus in Europa
V             Ik wijk voor niemand
VI           Reiziger zonder paspoort

Ruben van Veen; Figuur met bloementooi

I              IK BEN GEEN ERASMIST

Op de vraag aan Erasmus onderweg: ‘Wie bent u? Waar komt u vandaan? Van welke partij bent u eigenlijk? Waar bent u thuis?’, zou Erasmus niet antwoorden: ‘Ik ben een Rotterdammer’, laat staan: ‘Ik voel me een echte Gouwenaar’.
Hij zou ook niet antwoorden: ‘Ik ben professor in de taalkunde’, noch ‘Ik ben priester’.
En ook niet: ‘Ik hoor in het klooster of ik behoor tot de LHBTI gemeenschap’.

Er zijn van Erasmus heel wat rake uitspraken bekend; wijsheden, aforismen, gezegdes.
In de afgelopen jaren heb ik heel wat van die doordenkers van Erasmus in mijn Eblogs verwerkt.
De mooiste uitspraak van Erasmus blijft voor mij: Ik ben geen Erasmist.
Dit is een mooie uitspraak, omdat de wijsgeer hiermee zichzelf met een korreltje zout neemt. Hij neemt niet voetstoots aan wat hij beweert. Erasmus heeft geen ware leer verkondigd, geen kerk gesticht, geen sekte, geen dichtgetimmerde filosofie. Erasmus was een wetenschapper, een onderzoeker, een twijfelaar. Iemand van het type ‘Onderzoek alles en behoud het goede’.

Hoewel ik de afgelopen jaren veel met Erasmus ben opgetrokken, beschouw ik mezelf niet als ‘Erasmist’. Ik ben geen Viglius van Aytta, de Fries die in 1529 de volgende aanhef in zijn brief aan Erasmus kiest:
“Uw vriendelijkheid doet mij er dagelijks naar verlangen en spoort mij er zelfs toe aan om, hoewel ik over de grond kruip en bij de schittering van uw geleerdheid als door de stralen van de zon ben verblind, toch te durven wensen dat ik onder uw bekenden word opgenomen.”

Ik ben geen discipel geworden, ben het niet altijd met Erasmus’ uitspraken eens, vind hem ook niet altijd sympathiek. Hij kon heel klagerig zijn, altijd maar zeuren over zijn darmen en spijsvertering, en dubieuze opmerkingen maken over joden. Kortom, hij is voor mij geen heilige geworden.

Erasmus koos geen partij en richtte geen eigen partij op. Wie geen partij kiest, kan het verwijt krijgen de kool en de geit te sparen. Dat verwijt heeft Erasmus dan ook vaak gekregen. Hij had veel kritiek op de RK kerk, op de machtswellust van Pausen, op de handel in aflaten, op de schijnheiligheid binnen de kloostermuren, op het onchristelijk gedrag van priesters, op de pietluttigheid van theologen. Toch bleef hij in de moederkerk. Erasmus ging een heel eind mee in de kritiek van Luther op de kerk, maar werd geen Lutheraan. Erasmus wilde de kerk meer stapsgewijs veranderen, van binnenuit, zonder geweld. Hij kreeg het verwijt de kool en de geit te sparen, geen keuze te maken, laf te zijn, te duiken.

Maar, is het verwijt terecht? In plaats van beschutting te zoeken aan één van beide zijden, ging Erasmus vol in de wind staan. Hij kreeg zowel de wind van voren van Maarten Luther als van de RK kerk. Ze wilden hem allebei graag in hun kamp hebben, maar Erasmus weigerde. Hij bestreed ze beiden. Dat is een ondankbare, kwetsbare, eenzame positie. Zeker in tijden van polarisatie.

Dat zijn ook de tijden waarin we nu leven.
Polarisatie heeft als gevolg dat het tussengebied tussen beide polen verdampt. Zoals bij onze buren, Great Britain. Het land is verscheurd tussen de Brexiteers en de Remainers, tegenwoordig Staying out en Rejoining. Jarenlang diepe verdeeldheid. En in de United States. Een zeer venijnig debat tussen Republikeinen en Democraten, voor of tegen Trump. Er wordt volledig op de man gespeeld. De bal is nergens meer te bekennen.
Of kijk naar het identiteitsdebat in Nederland. De ene kant vindt dat onze Nederlandse traditie en identiteit bedreigd wordt door hoofddoekjes, massamigratie, anti-zwarte piet, black lives matter. De andere kant vindt het juist kenmerkend voor onze Nederlandse traditie om tolerant te zijn en rekening te houden met minderheden.

Voor Erasmus zou er vandaag de dag een enorme opgave liggen in het raadsel om de wolf, de geit en de kool één voor één naar de overkant te varen, zonder dat de wolf de geit opeet of de geit de kool.

Ruben van Veen; Erasmus en vriend

II          IK BEN THUIS WAAR MIJN VRIENDEN ZIJN

Precies 500 jaar geleden, april 1520, schreven Erasmus en Thomas More elkaar ontroerende brieven, bezorgd als ze waren over de aanvallen van andere geleerden op hun vriend. De brieven kruisten elkaar. More was bezorgd dat Erasmus te gepikeerd zou antwoorden en Erasmus was bezorgd dat More te fel zou reageren. Ze riepen elkaar op tot terughoudendheid. More noemt Erasmus in zijn brief: ”Dierbaarste van al mijn vrienden, je hebt met vele inspanningen je gezondheid op het spel gezet om de ware geleerdheid te bevorderen.”
En Erasmus schrijft terug: “Aangezien immers voor de mens niets zo kostbaar is als een goede trouwe vriend, ligt het voor de hand dat hij geen ernstiger verlies kan lijden dan een verbroken vriendschap.”
Van de vier V’s van Erasmus (Verdraagzaamheid, Vrijheid van geweten, Vrede en Vriendschap) spreken zijn teksten over Vriendschap mij nog het meest aan. De correspondentie tussen de vrienden Thomas More en Erasmus behoort tot het mooiste in de wereldliteratuur.

“Mijn vrienden zijn mijn rijkdom”, schrijft Erasmus. En hij meende het. Thomas More, bij wie hij graag logeerde, was zo’n schat van een vriend voor hem. Johann Froben, de boekdrukker uit Bazel, was ook een echte vriend, over wie Erasmus schrijft: “Ik kon zelfs de goden niet om een eerlijker vriend vragen.”

In zijn Adagia wemelt het van spreekwoorden over Vriendschap:

  • Vrienden delen alles; het is niet toevallig de opening van zijn Adagia.
  • Het is belangrijker om vrienden te hebben zonder geld dan geld zonder vrienden.

Erasmus waarschuwt, met een verwijzing naar Aristoteles:

Menige vriendschap is door stilte verbroken

en met een verwijzing naar Cicero:

  • Een zekere vriend toont zich in onzekerheid

en nog zo een:

  • Vriendschap moet onvergankelijk zijn, vijandschap vergankelijk.

In de laatste fase van zijn leven moest Erasmus nog vluchten van Bazel naar Freiburg, vanwege de beeldenstorm en de dreigende taal van protestanten in zijn geliefde stad. Toen de storm was gaan liggen, keerde Erasmus terug naar Bazel, naar het huis van de zoon van drukker en hartsvriend Johann Froben. De zoon had de drukkerij van zijn vader overgenomen. Die zoon heette overigens Johannes Erasmius, vernoemd naar zijn peetvader Erasmus.
Erasmus wilde tussen zijn vrienden sterven; hij was 70 jaar en opgebrand. “Ik koester geen illusie dat dit arme lijk, gebroken van ouderdom en van hard werken, nog lang zal blijven leven als het zo geteisterd wordt door de jicht.” Hij hoefde geen priester aan zijn bed, maar vertrouwelingen als Bonifacius Amerbach, zijn erfgenaam. Er is in 500 jaar wereldgeschiedenis heel veel veranderd, maar de waarde van vriendschap is nog net zo wezenlijk als honderden jaren geleden.

“Ik ben thuis waar mijn vrienden zijn”, schreef Erasmus. Je thuis voelen hoeft dus niet samen te vallen met je Heimat, je geboortegrond, je vaderland. Voor reizigers als Erasmus, en ook voor vluchtelingen, voor migranten, voor nomaden kan gelden: ‘Ik ben thuis daar waar mijn vrienden zijn.’

Ruben van Veen; De bruiloft

III                ERASMUS en HOLLAND

Erasmus heeft zijn hele leven een haat-liefde verhouding met Holland gehad. Elk chauvinisme was Erasmus vreemd. Holland was voor Erasmus het gebied dat we nu Zuid Holland, Utrecht en Gelderland noemen, de regio tussen Gouda en Deventer. In Gouda groeide hij op.
In de tweede helft van de 15e eeuw was het gebied tussen Gouda en Deventer een heel waterig gebied, met de Gouwe en de IJssel. Een gebied met overstromingen en wateroverlast. De Veluwe was woest en onbegaanbaar. Gouda was een stadje met hooguit 20.000 inwoners. De cultuur was boertig. Er werd 250 liter bier per jaar per hoofd van de bevolking gedronken. Erasmus lustte geen bier. Erasmus herinnert zich uit zijn Hollandse periode vooral de slechte manieren, het pak slaag op de parochieschool, de pest, de dreiging van de Hoekse en Kabeljauwse twisten.
In Deventer, waar hij als puber naar school ging, was het misschien iets beschaafder, maar daar was het de stank van vis waar hij niet tegen kon en ook weer de pest.

Reden genoeg voor Erasmus om het land te verlaten en er nooit meer terug te keren. Toch waren het niet alleen haatgevoelens. Erasmus liet er zich op voorstaan dat hij ontsnapt was uit de lage cultuur van de lage landen, maar als hij uitgescholden werd voor botte Hollander, dan nam hij het voor Holland op. Hij roemde de eerlijkheid van de Hollanders, het anti autoritaire, het eigenzinnige. Hollanders gebruikten weinig plichtplegingen, gingen niet gebukt onder de veinzerijen van hofculturen en waren in het algemeen heel direct en straight. Eigenschappen, die nog steeds worden toegeschreven aan Nederlanders.
Het is toch buitengewoon opvallend dat deze voor Holland kenmerkende eigenschappen uit de 15e eeuw zo resistent zijn, dat ze in de 21e eeuw nog steeds als typerend worden beschouwd. Het zal toch iets te maken hebben met het feit dat dit land noch door de Romeinse keizers, noch door de feodale adel definitief is ingelijfd.
Het drassige land in die delta was niet erg geschikt om te overheersen. Land veroverende boeren en dijken bouwende monniken hadden het voor het zeggen. Die hadden weinig boodschap aan Rome en Madrid. Holland is ontstaan als een doe-het-zelf land en doe-het-samen land. Van die mentaliteit was Erasmus een exponent en met zijn geschriften en opvattingen bevestigde hij die geesteshouding.

In zijn jeugd kreeg Erasmus een vormende tik mee van influencers als de humanist Rudolf Agrocola en de moderne devoot Geert Grote. En op zijn beurt en dankzij de uitvinding van de boekdrukkunst heeft influencer Erasmus met zijn werk bijgedragen aan de cultuur en mentaliteitsgeschiedenis in Nederland.
Ik durf de stelling aan dat van alle personages die in de Canon van de Nederlandse Geschiedenis worden opgevoerd, Erasmus ons Nederlanders nog het meest heeft gevormd, opgevoed, beschaafd. Meer dan die andere influencers en schrijvers, meer dan Willibrord, meer dan Hugo de Groot, meer dan Spinoza, meer dan Betje Wolff en Aagje Deken, zelfs meer dan Multatuli, meer dan Aletta Jacobs, meer dan Anton de Kom, meer dan Annie MG Scmidt; meer dan die acht influencers die naast Erasmus een sokkel of venster in de Canon hebben verworven.

Ruben van Veen; De verbroedering

IV                ERASMUS in EUROPA

“De hele wereld is mijn vaderland”, schrijft Erasmus.
“Ik ben een wereldburger”, citeert Erasmus met instemming Socrates.

De wereld van Erasmus bestond uit Europa. Hij kende de weg in Brussel, in Parijs, in Londen, in Rome, in Venetië, in Turijn, in Bazel.
De eerste Europeaan, wordt hij wel genoemd. Erasmus hield van de oude Griekse dichters en Romeinse schrijvers. Hij voelde zich thuis bij de boekdrukkers uit Duitsland, Engeland, België, Frankrijk, Italië, Zwitserland.
Hij correspondeerde met honderden geleerden uit vele landen in Europa en reisde rond, zonder vaste woon- of verblijfplaats, van bibliotheek naar bibliotheek.
“Ik ben thuis daar waar mijn boeken zijn”.
Erasmus was adviseur van Karel V, de vorst die over een groot gedeelte van Europa heerste. Hij was thuis in de Europese Republiek van de Letteren, waar Latijn gesproken werd. In die zin was de Europese gemeenschap toen meer verbonden dan nu, wat betreft de Europese elite, schrijvers en wetenschappers.

Stel dat Erasmus anno 2020 zou worden uitgenodigd door Charles Michel om de Europese Raad in Brussel toe te spreken. Wat zou hij dan zeggen?
Erasmus hield van hoffelijke omgangsvormen, dus hij zou herinneren aan de gelukkige tijd die hij in Anderlecht bij Brussel had doorgebracht, een van zijn meest geliefde herinneringen. Hij zou blij zijn met de positie van Brussel als hoofdstad en waarschijnlijk ook een sneer uitdelen aan Straatsburg; waarom twee hoofdsteden, terwijl er al zoveel onenigheid binnen de Raad bestaat?
Hij zou vervolgens treuren om het zelfgekozen isolement van Groot Brittannië, de Brexit. Erasmus was graag in Engeland, had er goede vrienden en beschouwde Engeland zonder meer als een beschaafd land, onderdeel van de Europese cultuur.

En nu komt het, hij zou een programma ontvouwen voor een meer federaal Europa. Erasmus heeft immers lak aan nationale grenzen, aan chauvinisme, aan verdeeldheid.

Zijn programma zou bestaan uit vier punten, en nu speculeer ik:

  1. Onderwijs voor allen
    Erasmus was wel een tikkeltje ijdel, dus hij zou enorm gecharmeerd zijn van het bestaan van de ‘Erasmusbeurs’. Dus die moet er, ook ondanks de Brexit, blijven. Verder zou hij hameren op investeringen in onderwijs, levenslang leren. En op het verplicht leren van een gemeenschappelijke Europese taal, laat dat dan maar Engels zijn. Een tweede taal voor iedereen, ter bevordering van communicatie, uitwisseling van ideeën en internationaal onderwijs.
  2. Goede verbindingen
    Erasmus was een volbloed reiziger en liet zich door slechte verbindingen niet weerhouden. Toch zou hij verbaasd zijn dat 500 jaar later de treinverbindingen tussen de hoofdsteden in Europa nog steeds te wensen overlaten. Erasmus zou Michel en de regeringsleiders aansporen nu met spoed een intercity netwerk aan te leggen, dat Athene met Londen en Madrid met Stockholm verbindt.
  3. Publieke werken
    Ook in zijn advisering aan Karel V hamerde Erasmus op het belang van publieke werken. Met de te verwachten stijging van de zeespiegel van Venetië tot Amsterdam zou Europa veel meer moeten doen tégen opwarming en vóór waterbeheersing. Een gemeenschappelijke energievoorziening, duurzame energie, waterstof, wind, zon.
  4. Gemeenschappelijk leger
    Erasmus zou stom verbaasd zijn dat de legers van Frankrijk en Engeland en andere Europese landen nog steeds onder eigen gezag en vlag opereren. Erasmus zou pleiten voor een geïntegreerd Europees leger, inclusief Engeland, exclusief Amerika. Een puur defensief leger om de buitengrenzen te bewaken, de Russen af te schrikken en ze te weerhouden van verrassingen op Europees grondgebied.

Afrondend zou Erasmus voor de Europese Raad een vurig pleidooi houden voor moreel leiderschap. Erasmus beschouwt Europa niet als een economisch project, van economie had hij weinig kaas gegeten, en ook niet als een politiek project om een machtsblok in de wereld te vormen, maar primair als een moreel project, als een project van Europese waarden en normen.
Vrijheid van geloof en geweten, vrijheid van meningsuiting, verdraagzaamheid; dat zijn voor Erasmus de dragende beginselen van Europa. Dat moet verdedigd worden en onderhouden. Dat vereist leiderschap, moreel leiderschap.
Als Angela Merkel in vrije verkiezingen gekozen had kunnen worden tot de leider van Europa, zou Erasmus op haar gestemd hebben.

Ruben van Veen; Erasmus in gesprek met vrouw

V                 IK WIJK VOOR NIEMAND

Het begrip ‘identiteit’ komt niet voor in het vocabulaire van Erasmus. Terwijl dit nu het topic in de hele wereld lijkt te zijn, is het voor Erasmus terra incognita.
Dat maakt het heel speculatief om de vraag te beantwoorden wat Erasmus dacht over identiteit en identiteitspolitiek. Laten we eerst eens kijken naar de identiteit van Erasmus zelf. En dan met name op de twee punten die in het debat nu centraal staan: zijn afkomst en zijn seksuele geaardheid.
Veel mensen ontlenen hun identiteit aan hun geboorteland, hun afkomst. Maar, Erasmus identificeerde zich bepaald niet met Holland. Integendeel. Toen hij er eenmaal vertrokken was, op weg naar Parijs, is hij er nooit teruggekeerd. Hij had een hekel gekregen aan de botte Batavieren, hij gruwde van het dagelijks eten en drinken, bier en vis. Hij had geen last van heimwee. Hij was blij ontsnapt te zijn aan het klooster van Stein, waar hij zijn onbeantwoorde jeugdliefde had achtergelaten, Servaas.
Ook afficheerde Erasmus zich nooit trots als: Ik ben een echte Rotterdammer. Hij ondertekende zijn brieven weliswaar met: Roterodamus; maar dat was meer bedoeld als mystificatie, als dwaalspoor. Rotterdam was onbekend, telde hooguit 3000 inwoners, een gehucht. Voor wie navraag zou willen doen, een doodlopend spoor.
Van alle plaatsen waar Erasmus gedurende zijn leven tijdelijk gewoond heeft, heeft hij zich nog het meest gehecht aan Bazel. Hij woonde er tussen 1521 en 1529 bij zijn vriend en drukker Froben, totdat hij vanwege godsdienstige rellen moest vluchten uit zijn geliefde Bazel. Maar echt ‘thuis’ was hij er nooit gekomen, hij voelde zich gast in een gastvrije stad, een vrije vogel in een nest.
Ook zijn afkomst was geen bron voor identificatie. Erasmus was de bastaardzoon van een priester, en dat liet hij liever onbenoemd of chicaneerde zelfs een beetje met de feiten. Als puber verloor hij zijn ouders en hij heeft nooit meer over ze gerept. Erasmus had een oudere broer, Pieter, maar daar verloor hij alle contact mee, uitte zich verbitterd, en voelde geen verdriet toen hij hoorde  dat Pieter dood was. Alleen op de wereld, dat beeld doemt op.

Veel mensen ontlenen hun identiteit ook aan hun sekse en seksuele geaardheid. Man, vrouw, homoseksueel, heteroseksueel, biseksueel, transgender. Erasmus leefde in een mannenwereld. Eerst in het klooster, en later in de zogenaamde Republiek der Letteren, bestaande uit geleerde mannen. Erasmus is niet uit de kast gekomen, hij heeft zich verliefd uitgelaten over medemonnik Servaas, over zijn leerling Alexander Stewart, over Thomas Moore. Dat romantische taalgebruik was overigens geen taboe in die dagen en niet per se een bewijs voor homo erotische gevoelens.
In zijn brieven hunkert hij naar vriendschap met mannen, nooit met vrouwen. Al heeft hij als jongeling in Gouda wel lopen flirten met een meisje op de Westerhaven.
In de Lof der Zotheid verkleedt Erasmus zich als een vrouw, Vrouwe Stultitia. Maar betekent dat dat hij travestiet was?
Ik vermoed dat het onderscheid dat we tegenwoordig scherp trekken tussen allerlei vormen van seksuele geaardheid en de behoefte om als zodanig erkend en gerespecteerd te worden, in de dagen van Erasmus minder telde. De overgangen waren meer fluïde.
In de klassieke oudheid waren seksuele betrekkingen tussen oudere mannen en jonge jongens gewoon en dat zal Erasmus misschien wel aangesproken hebben. Wat maakt het ook uit. Van belang is hier dat de sekse voor Erasmus geen exclusieve bron van identiteit was.

Erasmus weigerde om tot welk kamp dan ook toe te treden. Hij wilde geen hofdienaar zijn, geen bisschop, geen universiteitsprofessor. Het is hem allemaal aangeboden, maar hij hield te veel van zijn vrijheid, zijn ongebondenheid, zijn onafhankelijkheid.
Erasmus was een rusteloos mens, ongrijpbaar. Hij had over van alles een mening, maar wilde niet gelabeld worden. Hij liet zich niet vastpinnen. Hij zag zichzelf ongetwijfeld als een christelijk mens, maar niet van de institutie, niet van de uiterlijkheden, niet van het Oude Testament, niet van het dogma. Christelijk, in de zin van liefdevol, vergevingsgezind, innerlijke beschaving.

Hij liet zich niet vastpinnen op één identiteit. Hij was én wetenschapper, én christen, én polemist, én adviseur, én filoloog, én pedagoog, én boezemvriend, én schrijver.

Op de vraag: “Wie bent u eigenlijk”, zou hij antwoorden: “Ik ben Desiderius”; dat wil zeggen: ‘de gewenste’.
Niet de naam die zijn ouders hem gegeven hebben, maar de naam die hij zichzelf heeft gegeven.
Erasmus heeft zijn eigen imago gecreëerd. Ik ben niet de bastaardzoon, ik ben uit liefde geboren. Ik was gewenst als kind. En ik ben voor niemand bang, ik wijk voor niemand.
Concedo nulli, stond op zijn visitekaartje.
Ik pas me niet aan, ik doe niet mee met hypes, ik laat me niet voor het karretje spannen van machthebbers, ik laat me niet gek maken door twitter, ik wijk niet voor de Paus, ik wijk niet voor Trump. Ik wijk voor niemand, in de dood zijn we allemaal gelijk.
Dat is zijn zelfbeeld.

Ruben van Veen; Poging met bloemen

VI                REIZIGER ZONDER PASPOORT

Op het noordelijk halfrond woedt al weer twintig jaar een maatschappelijk debat over identiteit. Het gaat niet meer over klassenstrijd of over het kapitalisme versus het communisme, of over de vrije wereld versus de rest, maar het gaat over identiteit. Het gaat om het debat tussen populisten en kosmopolieten, met in elk land specifieke accenten, maar opvallend veel overeenkomsten. In Nederland gaat dit debat hartstochtelijk over Zwarte Piet, de boerka, het Wilhelmus en Jan Pietersz. Coen.
In het debat zijn twee polen te onderscheiden. Aan de ene kant de reactionaire pool; deze pool idealiseert het verleden, Make America Great Again. Take back control. De woordvoerders van deze pool beroepen zich op het volk, dat zich niet wil laten ringeloren door de elite. Wat dit betreft is het een opvallende paradigma omwenteling. Waar in de 19e en 20e eeuw de linkse socialisten het volk mobiliseerden voor de vooruitgang, tegen de privileges van kapitalisten en bourgeoisie, zijn het nu de rechtse populisten die het volk mobiliseren tegen de elite, het partijkartel en tegen de Islam.
Het leek bij de Brexit wel te gaan om Groot Brittannië te bevrijden uit de wurggreep van de Europese regelgeving, maar eigenlijk werden kiezers aangesproken op hun angst voor onbeheerste migratiestromen uit Oost Europa, Afrika en het Midden Oosten. De volksmenners in Amerika, Italië, Hongarije en Australië hanteren dezelfde retoriek. Ze gaan uitermate losjes om met de universele mensenrechten, de waarden van de democratische rechtsstaat, met de scheiding der machten, met de vrijheid van meningsuiting. Eigen volk eerst. De vorst heerst namens de meerderheid, het collectief.
De kosmopolieten daarentegen redeneren vanuit het onafhankelijke individu, de individuele vrijheid en de rechten van minderheden. Eenieder verdient respect, ongeacht seksuele geaardheid. Lesbisch, homoseksueel, biseksueel, transgender, interseksueel; het moet niet alleen privé kunnen, maar ook gerespecteerd worden. Geen ‘dames en heren’ meer in de trein, maar ‘beste reizigers’.
Deze ‘beste reizigers’ ontlenen hun identiteit niet aan hun afkomst, maar stellen hun eigen, unieke identiteit zelf samen en eisen in hun uniciteit erkend te worden. Het ideaal van de maakbare samenleving is door links getransformeerd in het maakbare individu.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft vorig jaar in een groot onderzoek duizenden Nederlanders ondervraagd naar hun kijk op het begrip identiteit. De onderzoekers verdelen ons Nederlanders in een paar groepen, waarin het polaire onderscheid tussen populisten en kosmopolieten is terug te vinden.
Het SCP spreekt van een normatieve botsing van wereldbeelden, waarbij een spanning naar voren komt tussen degenen die zich verbonden voelen met Nederland op basis van symbolen en tradities (zeg maar, de lijn Baudet) en anderen die juist binding met Nederland hebben op basis van de vrijheden die ons land kenmerken (de lijn Kaag).

WELKE POSITIE ZOU ERASMUS IN DIT DEBAT HEBBEN INGENOMEN?

Het blijft gissen.
De natiestaat bestond nog niet in de tijd van Erasmus, dus over nationale identiteit werd nog niet gedebatteerd in de Republiek der Letteren. Ook de LHBTI gemeenschap was nog niet benoemd, dus het daaraan verbonden debat over identiteit was nog een ver van zijn bed show.

Erasmus reisde zonder ID door heel Europa, zonder identiteitspapieren, zonder paspoort. Hij was een man zonder land, zonder eigen huis, zonder vaste woon- of verblijfplaats,  zonder familie. Hij droeg geen monnikskap, om niet herkend te worden als priester. Hij manipuleerde zijn geboortejaar, mystificeerde zijn geboorteplaats. Hij had geen vrouw, geen vaste partner, verwekte geen kinderen. Hij koos geen partij. Hij was ongrijpbaar en werd door zijn tegenstanders een gladde aal genoemd. Hij wilde geen vastigheid, geen huisje-boompje-beestje. Heel anders dan zijn beste vrienden met een vaste betrekking zoals Pieter Gillis, gemeentesecretaris van Antwerpen, Thomas More, raadsheer aan het Engelse hof, en Johann Froben, boekdrukker.

Erasmus zou zich met zijn pen verzet hebben tegen de scherpslijperij in het identiteitsdebat. Hij zou zowel gevoelig zijn voor de emotie van de gelovige moslim in Gouda die zich gediscrimineerd voelt, als voor de blokkeer Fries die het gevoel heeft dat hem in Friesland een traditie wordt afgenomen.
Hij zou pal staan voor onze westerse vrijheden als de vrijheid van meningsuiting, maar het pleidooi om verplicht op de scholen het Wilhelmus te zingen, zou hij met lichte ironie subiet afwijzen. ‘Ben ik van dietse bloed…’, dat was niks voor Erasmus, hij had een bloedhekel aan Duitse kachels… ‘Den vaderland getrouwe…’, nee, vaderlandslievend was hij niet.

Erasmus laat zich niet verleiden om de pet van de populisten op te zetten, al deelt hij de afkeer ten opzichte van corrupte elites. Niet de elite als zodanig verkettert hij, integendeel, Erasmus vindt dat de elite het waar moet maken, het goede voorbeeld moet geven, noblesse oblige.

Maar, de elite laat het afweten, dat is de kern van Erasmus’ kritiek. Erasmus zet ook niet de hoed van de kosmopolieten op, al deelt hij hun afkeer ten opzichte van bekrompenheid en kleingeestig nationalisme. Erasmus is bij uitstek iemand die zichzelf ontworsteld heeft aan zijn afkomst. Maar hij heeft oog voor het gezond verstand van de gewone man, en dat ontbreekt nog wel eens bij de kosmopolieten.
Nog eenmaal een citaat van Erasmus: “Er schuilt vaak veel wijsheid in de woorden van een groenteman…. Het gebeurt vaak genoeg dat een man die nauwelijks gestudeerd heeft iets zegt wat ook voor de hoogste heren niet te versmaden is.”

Nationalisten en globalisten lijken het op één punt gloeiend eens te zijn met elkaar. Beide partijen hebben economische groei hoog in het vaandel. De weg daar naar toe verschilt dan weer hemelsbreed. De nationalist zoekt zijn en haar heil in protectionisme. Koop Hollandse waar. De globalist zweert bij internationale vrijhandel. Erasmus neemt hierin een afwijkende positie in. Economische groei, dat is niet zijn ultieme geloof. Erasmus zet in op morele groei, mentale ontwikkeling en ontplooiing. Voorbij de polarisatie.

Anne Vegter schreef in haar rol als Dichter des Vaderlands een nieuw volkslied, in 2017.
De Koning van Hispanje is in de tekst geschrapt en een citaat van Erasmus is toegevoegd: “Ruimte scheidt de lichamen maar niet de geest”.
Met Anne Vegter neurie ik het tweede couplet van het nieuwe Wilhelmus mee:

Verleen je hart een extra kamer
Zoals Erasmus schreef:
ruimte scheidt de lichamen
maar niet de geest –
en status, g’loof of afkomst
bestaan vrij naast elkaar
geef iedereen toekomst
en maak ons Kikkerland waar!

 

Gerard de Kleijn
17 oktober 2020