Stel dat Erasmus tijdens het hoogtepunt van de coronacrisis zou worden uitgenodigd door Charles Michel om de Raad van Europa in Brussel toe te spreken. Wat zou hij dan zeggen? Erasmus hield van hoffelijke omgangsvormen, dus hij zou eerst herinneringen oproepen aan de gelukkige maanden die hij ooit bij een vriend in Brussel doorbracht (1521). Vervolgens zou hij inspelen op de actualiteit, dat deed hij ook in zijn brieven graag. En de angst voor besmetting kende hij maar al te goed. Erasmus zou een vurig pleidooi houden voor een EHO, European Health Organisation. Een federale organisatie voor de verdeling van mondkapjes, thermometers, medicijnen en vaccins. Erasmus zou vervolgens oproepen tot saamhorigheid tussen rijke en arme regio‚Äôs, tussen noordelijke landen en zuidelijke landen. Hij zou opponeren tegen het ‘ieder voor zich’, tegen verdeel en heers. Erasmus beschouwt Europa primair als een moreel project, een gemeenschap van waarden. Eenheid in verscheidenheid, verdraagzaamheid, naastenliefde. Dat zijn voor Erasmus dragende beginselen van Europa. Die gemeenschappelijke beschaving moet verdedigd en ontwikkeld worden. Zeker in tijden van crisis.