In 1484 brak er een pestepidemie uit in Deventer, de stad waar Erasmus als puber onderwijs volgde en bij zijn moeder woonde. Zijn moeder bezweek aan de pest, en Erasmus moest terug naar zijn vader in Gouda. Binnen een jaar lag zijn vader in het pesthuis (de huidige locatie voor Museum Gouda) en overleed ook. De wees Erasmus hield er een levenslange angst voor de pest aan over. Zodra de pest ergens de kop opstak, waar hij in Europa ook was, pakte Erasmus zijn biezen en vertrok. Erasmus voelde zich aangetrokken tot de filosofie van de Stoa, maar stoïcijns bleef hij bepaald niet. Elk bultje op zijn lijf beschouwde hij als het begin van een pestzweer. Eerder een hypochonder dan een stoïcijn. Erasmus heeft zijn angst prachtig gesublimeerd in een essay over de luchtbel. In zijn woorden: ‚De mens is een luchtbel. Het leven is fragiel. Dagelijks bedreigen ons honderden soorten ziektes. De ongevallen die op ons loeren zijn even talrijk, schipbreuken, oorlogen, bliksems. De één slikt een druivenpit in en stikt, een ander kan niet meer adem halen omdat hij melk dronk met een haar erin. Ook wie rijkdom bezit, heeft sterfelijke ledematen. Ieder mens, welke positie hij ook bekleedt, is gelijk aan en niet meer dan een luchtbel’. Aan dit mensbeeld ontleent Erasmus zijn afkeer van de zwaarwichtigheid van vorsten en de praalzucht van hoge geestelijken. Homo bulla est.