Erasmus predikte de liefde. Met het instituut kerk, met de dogma’s en de rituelen, had hij weinig op. Hij bepleitte een kinderlijk geloof. Zijn voorbeeld was Jezus, de man van de naastenliefde, de verzoening, de held van verschoppelingen. Dostojewski (niet cancelen!) zou eeuwen later dezelfde positie kiezen voor de jongste broer in zijn meesterwerk De gebroeders Karamazow. En de filosoof Luc Ferry, hoewel zelf ongelovig, doet dit in zijn boek De l’amour ook.
Ferry beschouwt de liefde in de XXIste eeuw als bepalende factor voor de omgang met de natuur, de medemens, het onderwijs en de kunsten. Hij rekent af met het nihilisme, de destructie, de ironie in de filosofie van mannen als Foucault en Derrida en in de kunst van mannen als Duchamps en Koons. Hun tijd is geweest. Die mannen hebben ons bevrijd van bekrompenheid, maar nu moeten we verder. Hij ziet de zorg voor de planeet en de toekomst van komende generaties als het grote vraagstuk. Ferry noemt dit het ‚tweede’ humanisme. Het ‚eerste’ humanisme was dat van Descartes en van Kant, gericht op verlichting, mensenrechten, wetenschap. Het ‚tweede’ humanisme voegt daar een beslissend element aan toe: de liefde, de empathie, de broederschap. Eeuwen lang zijn mensen uitgehuwelijkt en getrouwd op zakelijke gronden. Nu wordt er getrouwd, ook tussen mensen van hetzelfde geslacht, uit liefde. Dat is niet probleemloos, integendeel, maar het is in de ogen van Ferry wel een wezenlijke, hoopvolle omwenteling.