Montaigne was nog een peuter, toen Erasmus al zijn hele leven kon overzien. Beide mannen waren commentatoren van hun tijd. Erasmus schreef Adagia, spreekwoorden. Montaigne schreef Essais, overdenkingen. Beide schrijvers putten uit de Griekse filosofie, citeerden de stoïcijn Seneca, hadden een afkeer van geweld, beoefenden de kunst van het relativeren, geloofden in de waarde van vriendschap en het goede gesprek, bleven katholiek en hadden last van nierstenen. Ze waren ‚vossen’, geen ‚egels’, in de terminologie van Isaiah Berlin. Volgens Montaigne heeft elk individu zijn eigen ‚achterkamer’, een innerlijk leven, bevolkt door de stemmen van geliefden en idealen, los van dogma’s en wetten. In die achterkamer vindt een wijs mens zijn koers, zijn vrijheid, zijn levensgeluk. „En wanneer hij danst, dan danst hij, wanneer hij slaapt, dan slaapt hij.”