Het is anno 1535 en het is guur in Europa. Thomas More, de boezemvriend van Erasmus, wordt onthoofd door zijn werkgever, de Koning van Engeland. Koning Henri VIII erkent het gezag van de Paus niet langer en scheidt zich af van zijn vrouw en van de RK kerk. In Duitsland schaft Maarten Luther zelfs Sinterklaas af. In Amsterdam wordt een opstand van Wederdopers neergeslagen. De Amsterdamse beul snijdt op het schavot op de Dam het hart uit het lijf van de rebellen en propt het in hun mond, toegejuicht door het toegestroomde volk. Breda wordt geteisterd door een pestepidemie. Eenderde van de Bredase bevoling sterft. Polen wordt bedreigd door de Moskovieten. De Grieken en Hongaren vrezen de expansiedrift van de sultan van Turkije.
Penfriends in heel Europa houden Erasmus op de hoogte van de onrust en de gekte. Erasmus is doodmoe en vraagt zich af of zijn inspanningen, zijn adviezen, boeken en brieven, wel enig nut hebben gehad. Zijn vriend en dichter Latomus troost hem, met de woorden:’ Het nageslacht zal je lezen en vereren’. Erasmus toont zich echter ontroostbaar. Hij ziet de Europese beschaving uiteen vallen. Hij schrijft terug dat het applaus van het nageslacht hem geen bal kan schelen.