28 oktober 1466, een ongehuwde moeder bevalt van een jongetje ergens in Holland; de vader, een priester, heeft tijdelijk de benen genomen naar Rome. De bastaard zal de wereld ingaan als „Desiderius”, de „Gewenste”, dus uit liefde verwekt. De marxisten Jan en Annie Romein noemen Desiderius Erasmus een vertegenwoordiger van het libertinisme, „misschien wel het beste van de specifiek-Nederlandse beschaving”. En dan verwijzen ze vooral naar de vrijheid van zijn spot in de Lof der Zotheid en naar zijn kritische aantekeningen bij de uitgave van het Nieuwe Testament. Nogal voorbarig schrijven ze: “De wereld is libertijns en wordt steeds libertijnser.” (Jan en Annie Romein: De lage landen bij de zee, 1949) Zelfspot en geestige scheldkanonnades wisselen elkaar af in Desiderius’ Lof der zotheid. Filosofen zijn „heerlijk gestoord, ze weten niets zeker” en koningen „delen dagelijks nieuwe belastingen uit om het bezit van hun burgers in hun eigen zak te steken”. Toch is de ondertoon van de Lof der zotheid serieus. Het is een pleidoot voor eenvoud en kinderlijke naïviteit. Erasmus verkiest de lam en de duif boven de leeuw en de havik. Vrouwe Zotheid besluit met de aansporing:” En zet het nu op een drinken”.